Make your own free website on Tripod.com

Tijdvak 1: Tijd van Jagers en Boeren

 

A. De jagers- en verzamelaarsmaatschappij

 

Ontwikkelingen

 

Klimaatsverandering

Het intreden van andere meteorologische omstandigheden van een zodanige intensiteit en vooral van een zodanige duur, dat niet meer van een klimaatschommeling kan worden gesproken. De overgangen van de ijstijden naar de interglaciale periodes en omgekeerd moeten als belangrijke klimaatveranderingen worden beschouwd.

Ook in historische tijden zijn wel veranderingen in de meteorologische omstandigheden in bijv. West-Europa opgetreden die de term klimaatwijziging rechtvaardigen. Zo lagen in de periode 800–1000 n.C. de temperaturen hoger dan nu en wel zodanig, dat in Zuid-Engeland met succes wijnbouw werd bedreven. In deze periode vallen ook de reizen van de Vikingen naar Groenland en vermoedelijk naar Noord-Amerika. Daar staat dan de koude periode tussen ongeveer 1550 en 1850, de Kleine IJstijd, tegenover, met o.a. de grootste uitbreiding van de gletsjers in Europa sinds de laatste ijstijd.

De klimaatsverandering die hier bedoeld wordt is de verandering van de laatste ijstijd naar een leefbaar klimaat dit circa 10.000 voor Christus

 

 

Verschijnselen

 

Rendierjagers

De jagers die vroeger op rendieren jaagden worden rendierjagers genoemd.

Ze leefden ongeveer 10000 jaar geleden.

De rendier was in die periode een belangrijke prooi: 99% van het wildbraad kwam van het rendier.

Ze gebruikten wapens zoals speren om hun prooi te doden.

Ze gebruikten niet alleen het vlees of huid van de prooi, maar ook het gewei.

Van het gewei maakten ze naalden, speerpunten en vishaken.

De levenswijze van de hoog gespecialiseerde laat-paleolithische rendierjagers, werd geregeerd door de jaarcycles van de trekbewegingen van de grote rendierkudden.

 

De ijstijd

Zo’n 600.000 jaar geleden veranderde het klimaat op de aarde. De straling van de zon werd minder, de winter werd kouder en ook ’s zomers ging de temperatuur omlaag. De zomers werden ook korter. In de winter viel er veel sneeuw. In honderden jaren werd Noord-Europa en de Alpentoppen bedekt met sneeuw. Omdat de zomers te kort en te koud waren dooide de sneeuw nooit helemaal, alleen de bovenste laag smolt. Als het dan weer kouder werd veranderde de gesmolten sneeuw in ijskorreltjes die we firn noemen.

De overgang van sneeuw naar firn duurde maar een paar dagen. Het gebeurde vooral op beschutte plaatsen, zoals in bergdalen. Op deze firn viel weer nieuwe sneeuw, zodat er een steeds zwaardere firn-laag ontstond. De lucht tussen de ijskorrels werd weggeperst. Zo ontstond er een ijsmassa die we een gletsjer noemen.

Het kon wel honderden jaren duren voor dat sneeuw en firn een gletsjer waren.

Wanneer de ijsmassa een bepaalde dikte had, begon hij te schuiven, dan zeggen we dat de gletsjer stroomt.

 

Door de kou kwam de sneeuw steeds verder naar het zuiden. De gletsjers rukten op tot in het laagland.Waar eerst altijd regen viel, viel nu sneeuw. Het verschil is dat regen terugstroomt naar zee, en sneeuw en ijs niet. Dus bleef er veel meer water op het land liggen. De zeespiegel lag daardoor 90 meter lager. De kustgebieden vielen droog, de eilanden werden met het vasteland verbonden, Bijvoorbeeld de Britse eilanden en Noord-Frankrijk waren een geheel. Veel later, toen het klimaat verbeterde smolt de sneeuw weer. In de ijstijd was een vierde deel van de aarde bedekt met een dikke ijslaag. Behalve Groenland, Spitsbergen en het Zuidpoolgebied lagen ook grote gebieden in Amerika, Argentinië onder het ijs. Ook de Britse eilanden lagen onder een dik ijspak. In de Vogezen waren grote gletsjers.

  

De ijstijd duurde van 600.000 tot 10.000 jaar voor Christus. Tijdens die 6000 eeuwen was het niet altijd even koud. Soms waren er ook warmere tijden. Eigenlijk was het dus niet een grote ijstijd.

Er waren vier ijstijden met daartussen drie warmere perioden:

q         q       1ste ijstijd: 600.000 – 540.000 jaar geleden.

q         q       2de ijstijd: 480.000 – 430.000 jaar geleden.

q         q       3de ijstijd: 300.000 – 180.000 jaar geleden.

q         q       4de ijstijd: 120.000 - 10.000 jaar geleden.

 

 

Het landschap in de ijstijd zag er niet steeds hetzelfde uit. Dat kwam door de verschillen in de temperatuur. Als het heel koud was, was het landschap kaal, er waren bijna geen bomen. Er groeiden alleen kleine struiken en planten die heel goed tegen de kou konden.

Dit landschap heet toendra. De allerkoudste tijd was de 3de ijstijd, de grens van het landijs liep over midden-Nederland, ongeveer de grens Amsterdam-Nijmegen. Een groot deel van Nederland lag dus onder een dik pak ijs.

Aan de zuidgrens van dit landijs werden op de Veluwe door de druk van het schuivende ijs lange heuvelruggen gevormd. Het zuiden van ons land had toen een toendralandschap.

  

 Door vondsten in de bodem weten we dat er vanaf 250.000 jaar voor Christus mensen in ons land woonden. In het begin waren dat er maar heel weinig, ongeveer 1 per 10 tot 100 vierkante kilometer. Ze leefden van de jacht en van vruchten. Ze woonden in kleine groepen en trokken steeds naar andere plaatsen om eten te zoeken. Van deze mensen zijn geen resten gevonden.

 

Jagers/verzamelaars

Jagers en verzamelaars leefden vrijwel overal. Ze leefden van de jacht, maar ook van bessen en zaden

 

Nomaden:

Voornamelijk jagers en verzamelaars en veetelers.

Zij trokken voortdurend rond, om nieuwe weidegrond te vinden

  

Grotschilderingen

Grotschilderingen zijn onderdeel van de rotskunst, vooral de afbeeldingen uit het paleolithicum, uitgevoerd als schildering, gravering of reliëf, in holen en grotten, waar het daglicht niet of nauwelijks doordringt. De afbeeldingen waren en zijn zonder kunstlicht dus niet waarneembaar. Het is slechts één aspect van de paleolithische kunst. Er komen nl. ook tekeningen voor op losse stukken steen (veelal platen leisteen) en het beensnijwerk bezit dezelfde hoge kwaliteit.

 

De grotschilderingen werden kort na de erkenning van de ‘ijstijdmens’ ontdekt en ook als paleolithisch gepresenteerd. De erkenning door de hevig geschokte vakwereld kwam pas na de ontdekking van La Mouthe (1895), Les Combarelles en Font de Gaume (1901) in de Dordogne, het centrum van de grotschilderingen (zie Les Eyzies-de-Tayac). Andere centra bevinden zich in Cantabrië, de Noordelijke Pyreneeën en het Rhônedal. Daarbuiten zijn ze zeer zeldzaam, o.m. bekend uit Zuid-Italië (Levanzo) en de zuidelijke Oeral (Karpovagrot). Er zijn ca. 100 grotten met schilderingen bekend en nog steeds worden er nieuwe ontdekt.

 

De schilderingen, graveringen en zeldzame reliëfs geven afbeeldingen van dieren, m.n. het wilde rund, paard, bizon en mammoet. Voorts ook edelhert, rendier, steenbok, neushoorn, holeleeuw, holenbeer en zeer zeldzaam nog tal van andere dieren, ook vogels en vissen. Ten tweede komen er tal van tekens voor, van naturalistisch weergegeven geslachtsdelen tot abstracte tekens. Menselijke figuren zijn uitermate schaars.

Kenmerken zijn voorts dat veel tekeningen over elkaar heen zijn aangebracht, dat er nooit een landschap is weergegeven, dat het zelden om taferelen gaat, dat de dieren vaak schots en scheef door elkaar staan, op zeer verschillende schaal en steeds van opzij weergegeven in de meest uiteenlopende houdingen. Vaak staan de afbeeldingen op zeer moeilijk bereikbare plaatsen: in een nauw gedeelte of op een hoog plafond. De gebruikte verfstof is een mengsel van vet met rode of gele oker, of met houtskool.

 

Direct dateren is onmogelijk. Er wordt gebruik gemaakt van de bedekking van (delen) van de afbeeldingen door latere cultuurlagen of de afsluiting van een grot of delen daarvan door dateerbare cultuurlagen. Beide geven steeds een minimumouderdom. Minder betrouwbaar, maar in principe nauwkeuriger is de vergelijking met kleinkunst op steen of uit been in cultuurlagen van dezelfde grot. De stijlkritische dateringen uit de eerste helft van de 20ste eeuw, gegeven door m.n. abbé Breuil, zijn op methodische gronden niet aanvaardbaar en blijken in de praktijk nu ook te worden weerlegd. Het overgrote deel van de schilderingen hoort thuis in het late Magdalénien (fasen IV-VI), dwz. 13 000–9000 v.C. Uit het (eerdere) Aurignacien zijn, naast de Venusbeeldjes, ook afbeeldingen van dieren bekend, vooral graveringen en reliëfs. Aan Solutréen en vroeg-Magdalénien kan vrijwel geen grottenkunst worden toegeschreven.

 

Er bestaat geen eensluidende verklaring voor het doel waartoe de schilderingen werden aangebracht. Stellig is het geen l'art pour l'art, geen kunstuiting zonder meer dus, al getuigen vele afbeeldingen van een groot vakmanschap en een goed waarnemingsvermogen. De meeste schilderingen waren immers normaliter niet zichtbaar. Een tweede, zeer verbreide verklaring interpreteert de afbeeldingen als jachtmagie, een derde als vruchtbaarheidsmagie. Hiervoor zijn tal van argumenten aangevoerd, met evenveel tegenargumenten. Zo is bijv. het meest gejaagde dier (rendier) maar zelden afgebeeld en is zelden het geslacht van de dieren aangegeven. Een moderne school (Leroi-Gourhan, Laming-Empéraire) ziet de grotten als langdurig gebruikte heiligdommen en hecht veel belang aan de plaatsing van de afbeeldingen. Ook deze verklaring stuit op tal van bezwaren, m.n. met betrekking tot de veronderstelde samenhang en symboliek. Het is niet waarschijnlijk dat ooit met enige waarschijnlijkheid het doel van deze afbeeldingen duidelijk zal worden. Eén verklaring is in ieder geval ontoereikend. Afhankelijkheid van streek, grot en periode (het gaat om vele jaren!) kunnen jachtmagie, vruchtbaarheidssymboliek, totemisme, het uitbeelden van mythen en verhalen en zuivere decoratie de beweegredenen zijn geweest. Bovendien kunnen er motieven zijn geweest die de moderne mens volledig ontgaan.

 

B. Ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen

 

Ontwikkelingen

 

Neolithisering:

Men kreeg een betere beheersing van de natuur door zelf planten en granen te kweken en men ging over op het temmen van wilde dieren.

De Neolithische periode duurt van 5500-3000 v CHR.

Men begint zich ook te vestigen in dorpen, en men bewerkt metaal tot sieraden zoals koperen werktuigen.

 

Specialisatie:

Door de uitvinding van de landbouw werd het mogelijk dat mensen zich met andere zaken bezighielden dan voedselproductie, hierdoor kon men zich specialiseren in andere beroepen of vaardigheden.

 

Sociale gelaagdheid:

Door het ontstaan van de landbouw kon men zich specialiseren in andere vaardigheden en beroepen en zo kon ook een priesterkaste ontstaan en een ambtenarenapparaat en zo dus ook een klassenstelsel van krijgslieden, ambtenaren, handelaren, boeren en slaven.

 

 

Verschijnselen

 

Bandkeramiek-cultuur

Word in België ook Omalien, internationaal wel aangeduid als LBK (naar de Duitse naam Linearbandkeramik), de vroegste agrarische cultuur in grote delen van Centraal- en West-Europa, vormt daar dus de vroegste fase van het neolithicum. Kenmerkend is het fijne aardewerk, dat komvormig is, van zeer goede kwaliteit en versierd met een zich meestal driemaal herhalend bandmotief. In de oudste fasen (ca. 5300 v.C.) is dit overwegend in lijnen uitgevoerd en in het zeer grote verspreidingsgebied opvallend uniform van uitvoering. Later (sedert ca. 5100 v.C.) is een toenemende regionalisering te bespeuren in vorm en versiering, waarbij puntvormige spatel- en kamindrukken gaan overwegen. Zo worden vanaf ca. 4900 v.C. onderscheiden: de Stichbandkeramik (het oosten van Duitsland, Tsjechië), de Rössen-cultuur (het westen van Duitsland tot in Limburg), het Bayerisches Rössen (Beieren), de Cerny-cultuur (Frankrijk) en een aantal kleinere eenheden. Een in onbruik geraakte naam voor dit gehele complex is Donau-cultuur.

De LBK behoort bij een gezeten boerenbevolking, welke woonde in flinke tot zeer grote (6 m × 40 m) huizen of boerderijen. Men hield vee (rund, varken, schaap en/of geit) en verbouwde tarwe (emmer, eenkoorn) en peulvruchten op kleine open plekken, die in het maagdelijk loofbos waren opengehakt. Hoewel men praktisch autarkisch was, waren er handelscontacten over lange afstanden voor het verkrijgen van luxe goederen, zoals stenen disselbijlen, hematiet (rode kleurstof) en sieraden (Spondylus-schelparmbanden). Dorpen van 5 à 10 huizen werden bij voorkeur gevestigd op een vlak lössplateau nabij een watertje of een moerassige dalvlakte. Naast de nederzetting liggen uitgestrekte grafvelden.

Het optreden van de LBK wordt algemeen beschouwd als een binnentrekken van kolonisten vanuit het Hongaars-Kroatisch-Servisch Donaugebied, waar een ‘acclimatisatie’ van een aantal belangrijke cultuurelementen (huisconstructie, gewassen) aan de vochtiger West-Europese condities moet hebben plaatsgevonden. Het praktisch gelijktijdig optreden van de LBK langs Donau, Weichsel, Rijn en Maas en de snelle expansie in Noord-Frankrijk vormen evenwel een demografisch probleem: men moet óf het binnentrekken van grote aantallen boeren, óf de acculturatie van inheemse jager-verzamelaars, of beide aannemen. In elk geval betekent de LBK een abrupt einde van het, overigens in die gebieden slecht bekende, mesolithicum.

 

Trechterbekervolk/hunebedbouwers

Samenvattende benaming voor een reeks verwante neolithische cultuurgroepen, die de onderlinge overeenkomsten meer benadrukt dan de verschillen. Het verspreidingsgebied omvat de Noord-Europese laagvlakte van Nederland tot in de Oekraïne, van Zuid-Zweden en Denemarken tot Midden-Duitsland, Noordoost-Oostenrijk en Bohemen. Opvattingen over de aanvang (variërend tussen 4800 en 3800 v.C.) en de oorsprong verschillen sterk. Het ontstaan uit een nog net of pas gedeeltelijk geneolithiseerde jager-verzamelaarbevolking in Scandinavië resp. Noordwest-Europa onder invloed van zuidelijke neolithische culturen zou zich o.a. uiten in de gestrekte rugligging in grafkuilen (zgn. vlakgraven) van de doden.

Vanaf ca. 3900 v.C. werden van Denemarken tot in Polen bepaalde doden onder langwerpige aarden grafheuvels begraven. De eerste megalithische graven ( ‘hunebedden’) ontstonden ca. 3600 v.C. in Scandinavië en langs de Beneden-Elbe. Ze bestaan uit een grafkamer van zwerfsteenblokken (de zgn. oer-dolmen ) onder een langwerpige of ronde heuvel. Kamerverruiming en toevoeging van een gang die de toegankelijkheid vergrootte, leidden na ca. 3400 v.C. tot het ontstaan van de megalithische ganggraven, o.a. ook in Noordoost-Nederland.

Kenmerkende aardewerkvormen zijn o.m. de naamgevende bolbuikige trechterbekers, bakplaten en kraaghalsflesjes. Verandering in vorm en versiering van het aardewerk maken een – per groep verschillende – chronologische fasering herkenbaar. De stenen strijdhamers van afwisselend bovenregionale en regionale typen waren vermoedelijk in de eerste plaats statussymbolen. De plaatsing van o.a. aardewerk, barnsteen en vooral vuurstenen bijlen, in of nabij venen en water, wordt verklaard als religieus gebruik. Koper was van enig belang bij de fabricage van sieraden en vlakbijlen. Men verbouwde diverse tarwe- en gerstsoorten en hield runderen, varkens, schapen en geiten.

Hoewel in het verspreidingsgebied vele nederzettingen zijn gevonden in de vorm van sporen, zoals afvalplekken en -kuilen met scherven, versleten werktuigen, botten e.d., is de kennis over de huizenbouw nog beperkt: waarschijnlijk waren het veelal geïsoleerd of groepsgewijs liggende, min of meer rechthoekige bouwsels met verticale dakdragende palen en wanden van leem en vlechtwerk.

Omstreeks 2800 v.C. verdween de trechterbekercultuur vrijwel overal gelijktijdig, naar het schijnt als gevolg van een sociaal-culturele omwenteling, en werd opgevolgd door de enkelgraf- of standvoetbekercultuur.

De Nederlandse tak van de trechterbekercultuur hoort tot de Westgroep en komt vnl. voor op de leemarme pleistocene dekzanden van Noord-, Oost- en Midden-Nederland. De bekendste resten zijn de (ruïnes van) 53 hunebedden in Drenthe en Groningen. De standplaatsen van veertig vernielde megalietgraven zijn teruggevonden in deze provincies en in Friesland en Overijssel. Nederlands enige verlengde dolmen werd in 1983–1984 opgegraven bij Delfzijl-Heveskesklooster (Gr.). Ook vlakgraven kwamen in Nederland voor. Een klein aantal nederzettingen uit de betreffende periode is bekend. Eén ervan, bij Anloo (ca. 3100 v.C.), bezat een tweemaal vernieuwde palisade-omheining. Ongeveer even oud is de in 1991 opgegraven woonplaats op voormalige kweldergrond bij Slootdorp (Wieringermeer). De opgegraven bot- en visgraatresten wijzen hier op een zomerkamp van jagers-vissers en veeherders.

Het typologisch oudste aardewerk uit de Nederlandse hunebedden dateert van omstreeks 3400 v.C. en wijst op contacten met Sleeswijk-Holstein. Bij Schokland (Noordoostpolder) lijkt inmiddels een nog oudere, pre-megalithische fase gevonden te zijn (ca. 3700–3500 v.C.), ontstaan uit de vroeg-neolithische Swifterbantcultuur.

 

Brandcultuur

ladang of brandcultuur of brandbouw (Eng.: shifting cultivation), manier van landbouw in de tropen (o.m. in Indonesië), door een stuk bos te kappen en kaal te branden, de vrijkomende grond te bebouwen zolang deze vruchtbaar is en daarna te verlaten voor een nieuw terrein. De verlaten ladang heeft vaak te lijden van bodemerosie of wordt overwoekerd door alang-alang.

 

 

BACK